Mischa Kamp & Tamara Bos over Kapsalon Romy “Bakkers en slagers verdwijnen, maar kapsalons zijn er overal”

  • 18/11/2019
  • W Interview

Elke dag na school moet Romy (10 jaar oud) naar haar oma, en daar heeft ze geen zin in. Oma Stine heeft een kapsalon en ze is erg strikt en stijf. Tot Romy in de gaten krijgt dat er bij oma heel wat dingen fout gaan. Misschien moest zij maar eens een handje toesteken in de zaak..

Regisseur Mischa Kamp en scenarist Tamara Bos voelen zich op Film Fest Gent zo verwend als prinsessen. Bovendien stonden ze er twee maal oog in oog met een tjokvolle zaal. “Het leek wel een voetbalstadion vol kinderen. Ze stelden veel vragen, terwijl sommigen nog nasnikten van de film.

Kapsalon Romy is een gevoelig verhaal over een kleinkind dat opkomt voor haar oma wanneer die de eerste sporen van dementie vertoont. Scenarist Tamara Bos (van o.a. Het paard van Sinterklaas, Minoes en Brammetje Baas) vertelt waar haar verhaal vandaan komt.

Tamara Bos: Toen mijn oma beginnende dementieverschijnselen ging vertonen, bleek ik daar heel anders mee om te gaan dan mijn moeder. In die tijd was er in mijn buurt een kapsalon van een oudere dame. Na schooltijd kwam daar altijd een klein meisje op bezoek. Ik bracht die twee elementen bij elkaar en zag er meteen allemaal beelden bij: de kapperswereld is een heel vrouwelijk universum en ik vond het leuk om te vertellen over een oudere dame die nog een eigen zaak had.

 Zo werd een kapsalon jouw belangrijkste locatie.

Mischa Kamp: Om in een echt kapsalon te draaien, moet je zo’n zaak 10 dagen afhuren en dat is erg duur. Dit kapsalon bestond echt; het stond te koop in Strijen, nabij Dordrecht. De kapper woonde boven zijn zaak en zijn zoon wou het salon niet verder zetten. Zijn verhaal liep dus zo’n beetje parallel met de film.

Bos: Het had echt zo’n interieur uit de jaren ’70. Dat was mooi meegenomen, want we waren niet op zoek naar een hippe zaak, het mocht wat verouderd zijn. Het kapsalon – en de afbraak ervan – staan symbool voor de aftakeling van oma.

Heb je wat met kapsalons?

Kamp: Bakkers en slagers verdwijnen, maar kapsalons zijn er nog steeds. Dat valt op als je door het land reist: in welk dorp je ook komt, is er altijd een kapper.

Bos: En een Chinees restaurant! Dat heeft de film gemeen met Het paard van Sinterklaas.

Het is een wereld met heel eigen rituelen.

Bos: Ik vind het leuk om elementen uit zo’n wereld te gebruiken in mijn verhaal. Gelukkig moest Beppie Melissen (Oma Stine) zelden de schaar hanteren. Daar was ze niet zo handig mee – voor dit beroep heb je echt vakmanschap nodig.

Kamp: Maar er zijn wel al die andere kleine dingen: kopjes koffie zetten, snoepjes op de toonbank, schappen vol spulletjes en krulspelden, de leesmap met tijdschriften … al zulke dingen bestaan vandaag nog steeds in elke kapperszaak.

 

In een kapsalon worden zaken doorgaans onder volwassenen besproken. In de openingsscène zie je hoe Romy daar als kind geen deel van uitmaakt.

Bos: We zien Romy voortdurend omgeven door volwassenen, in het kapsalon, thuis, bij de truckstop. In veel beelden wordt duidelijk dat dit kind in een grote-mensen-wereld te maken krijgt met volwassen thema’s. Dat maakt de film zo krachtig.

De klanten van Romy’s kapsalon zijn vooral bejaarden. Die zie je op het bioscoopscherm nog minder vaak dan kinderen. Veel bejaarden voelen zich ondervertegenwoordigd in het filmaanbod.

Bos: Daar lijkt verandering in te komen. In Nederland zijn er enkele films op komst over oudere personages, hoewel dat vroeger not done leek.

Kamp: Je hebt een heleboel goeie acteurs van die leeftijd die plaats hebben in hun agenda en niet meer zoveel zin om met een toneelgezelschap de hort op te gaan.

Kinderen begrijpen dat het niet goed gaat met oma. Hoe maak je hen dat duidelijk zonder het begrip dementie uit te leggen of te benoemen?

Kamp: Je wordt niet van de ene dag op de andere dement. Daar gaat een boel tijd overheen. Dat maken we duidelijk via allerlei details: een doktersbezoek, het rekenen lukt niet meer, Romy die ’s nachts ontdekt dat oma niet thuis is, … We vertellen het verhaal door de ogen van een kind dat het proces stap voor stap meemaakt.

Bos: We brengen voordien al Marie in beeld, een klant die nu en dan komt aanwaaien en die duidelijk het noorden kwijt is. Zo beseffen kinderen dat er mensen bestaan die heel verward zijn. En er is dat sterke beeld wanneer oma bij de terugkeer uit het ziekenhuis in haar eigen kapperstoel gaat zitten – wat ze vermoedelijk nog nooit gedaan heeft. Ze geeft zich gewonnen, de strijd is gestreden.

 

Vreemd dat die strenge oma pas tot tederheid in staat is wanneer de ziekte toeslaat.

Kamp: Ik bezocht samen met Beppie enkele bejaardentehuizen en zag er heel boze mensen, maar ook veel giechelende bejaarden. Die transformatie van ‘heel boos’ naar ‘best wel lief’ komt vaker voor.

Bos: Iemand vertelde me dat haar vader beroepsmilitair was, een vreselijk strenge man, tot hij dement werd en ze urenlang samen op een bankje naar de tuin zaten te staren. Ze zei: “Het was zo bijzonder om dat nog met hem te mogen meemaken.” Ook mijn oma werd veel zachter dan ik haar ooit gekend had. Voorheen was ze altijd druk, druk en plots zat ze in een stoel en vertelde onverwacht een verhaal over een oude liefde, of nam mijn hand vast. Ze wilde voor mij per se een hele dure pepermolen kopen – die heb ik nog steeds.

Deed je research?

Bos: Ik heb veel gelezen over dementie en documentaires bekeken, o.a. een heel goede van Louis Theroux – de uitspraak “Ik bén kapper” citeert letterlijk uit zijn reportage, waarin een man zegt “I am a dentist”.

Wat oma en Romy gemeen hebben, is dat beslissingen vaak voor hen genomen worden door anderen en dat ze weinig inspraak hebben in hun eigen lot.

Bos: De film gaat ook over accepteren dat je niet alles onder controle hebt. Sommige dingen overkomen je, en daar moet je mee leren omgaan. We wilden geen ‘jolige alzheimer film’ waarin oma en opa lekker gek gaan doen; daar heb ik een hekel aan. Bij ons gaan de zaken grondig mis en dat krijgt een dramatische plaats in de film. Met de scènes in het Deense vakantiehuis, waar oma erg in de war geraakt, hebben we het idee van “een grote publieksfilm” definitief losgelaten.

 

Maar je voegde ook elementen toe om het voor het jonge publiek gezellig te houden. Zoals Jens de poes. Een echte ‘kapperspoes’ met prachtig lang haar.

Kamp: Ik vind beesten altijd fijn in een film. De poes legt, samen met oma, een hele weg af doorheen het verhaal: eerst zit ze boven opgesloten, later mag ze mee in het salon en tenslotte met Romy mee naar huis. Toen i de kattentrainer het script las, zei ze meteen: “Dan moet je Jochie hebben!” Een heel oude, getrainde poes, en echt de ideale kat op de set. Als je ‘m ergens neerlegde, bleef hij gewoon zitten, take na take, terwijl iedereen om hem heen stond. Hij was ongelooflijk.

Vita Heijmen speelt haar rol op een mooi ingetogen manier.

Kamp: Verrassend genoeg wel. Vita is helemaal niet zo’n rustig meisje, ze is net erg druk. Tussen de scènes door zat ze de hele tijd te springen en te huppelen. Pas wanneer ik ‘actie’ riep, gleed ze meteen in een scène. De eerste draaidag was heel spannend. Ik was niet zeker of mijn aanwijzingen tot haar doordrongen, want ze stuiterde aldoor op en neer. Maar bij de volgende take bleek dan dat ze die opmerkingen toch meenam in zo’n scène.

 

Maar de heksentoer komt toch van Beppie Melissen. Zij weet heel goed dat je dementie vooral herkent aan de blik in de ogen.

Bos: Ze wilde de rol heel graag en heeft zich grondig in het onderwerp verdiept. Ze nam haar job heel serieus.

Kamp: Beppie kon zich echt laten gaan. Soms deden we zeven takes, in stijgende graad van intensiteit, om te kijken hoe ver we wilden gaan. Nu krijgt ze veel complimenten en daar is ze erg trots op. Ze deed altijd vooral theater, in films speelde ze wel eens een bijrol, vaak typetjes zoals Tante Cor in ‘Gooische Vrouwen’. Twee jaar geleden kreeg ze in Oude liefde haar eerste grote filmrol. Ze is nu pas aan een carrière als filmactrice begonnen en daar is ze heel blij mee. Alleen voor de scènes waarin ze in zee moest zwemmen, terwijl het water niet warmer was dan 10°, gebruikten we twee stand-ins, getrainde koudwaterzwemmers. In die scènes zie je dus twee paar Deense billen – en niet Beppie’s billen.

Tussen grootmoeder en kleinkind zit nog een generatie: Romy’s ouders.

Bos: Het voelt als dochter heel raar aan als je moeder zo verandert, zeker als je niet zo’n leuke band had met haar. Daarom is het eindshot zo belangrijk – daarin zie je dat er voor moeder en dochter toch nog iets te winnen is: ze kruipen dichter naar elkaar toe en voor Romy valt er een last van haar schouders.

Een scène die me oprecht choqueerde was de afbraak van het kapsalon. Zo brutaal en onachtzaam gaan wij dus om met de dingen die voorbij zijn.

Bos: Dat is erg wrang. Er wordt een heel leven weggegooid: je spullen worden opgeruimd en hopla … weg ben je. Het zou heel aardig zijn als we dan plots zouden snijden naar 20 jaar later en daar staat Romy te glunderen in haar gloednieuwe kapsalon. Diep in m’n hart zou ik dat best willen, maar eigenlijk ook niet. Want zo is het leven niet, helaas.