Passiviteit in de bioscoop heeft iets heel verrijkend

  • 10/10/2018
  • W Beleid
  • W Filmwijs
  • W Vertoners

Filmmusea stonden aan de wieg van filmeducatie. Maar staan ze daar nog steeds? Hebben zij op dat vlak vandaag nog een rol te vervullen? Daarover reflecteert Alejandro Bachmann van het Oostenrijks Filmmuseum in Wenen, aan de hand van vijf vragen.

Hoe past filmeducatie in de missie van een filmmuseum?

Alejandro Bachmann: Instellingen zoals filmmusea, cinematheken, enz. waren belangrijk voor het opzetten van een infrastructuur waarbinnen filmeducatie kon groeien. Rond 1930 begonnen o.a. het BFI (British Film Institute) en de MoMA Film Library met het verzamelen van filmprints die doorgaans als nutteloos werden beschouwd. Zonder dit initiatief zou een groot deel van de filmgeschiedenis van vóór 1930 verloren zijn gegaan en ik kan geen manier van filmeducatie bedenken die niet kijkt naar het verleden en dat verbindt met het heden. Van bij aanvang begrepen zij dat het niet enkel hun taak was om filmspoelen te bewaren, maar ook om een erfenis te beheren en beschikbaar te maken. Dit danken we aan individuen zoals Iris Barry (MoMA) of Henry Langlois (Cinémathèque Française), van wie wordt gezegd dat ze in de jaren veertig van de vorige eeuw al seminars in de bioscoop hielden, met compilaties van filmfragmenten die werden toegelicht.

Sindsdien is er niet veel veranderd. Filmmusea hebben nog steeds een archief en beschikken over enige kennis van zaken over de historiek, de gebruikte materialen, de technische evolutie van film,... In deze digitale wereld lijkt hun rol preciezer dan ooit gedefinieerd: enerzijds kunnen zij jonge mensen duidelijk maken dat het medium een enorme geschiedenis heeft. Er wordt wel eens beweerd dat vandaag alles op het internet beschikbaar is, maar dat is niet zo. Bovendien is er de verplichting - meer dan ooit - om mensen te sensibiliseren voor de verschillende formaten (16 mm, 35 mm, DCP) en de context van het kijken (op tablet, mobiele telefoon, televisie, in de bioscoop). Ook al moeten ze daarbij opboksen tegen een commerciële cultuur die suggereert dat zulke verschillen er niet toe doen. Filmeducatie moet jongeren niet overtuigen dat analoge film superieur is boven alles en dat de bioscoop de enige plek is om een film te zien, maar ze moet jongeren laten nadenken over hoe deze verschillen onze beleving, onze emoties en onze esthetische ervaring beïnvloeden.

Zijn jongeren een prioritair publiek voor filmmusea?

Alejandro Bachmann: We proberen verschillende doelgroepen aan te spreken. Onze educatieve programma's "School in de cinema" en "Focus op Film" richten zich tot kinderen en tieners van 5 tot 18 jaar. Maar in onze 'Summer School' nodigen we volwassenen uit en via seminars aan de Universiteit van Wenen probeer ik een nieuw perspectief toe te voegen aan het academische discours.

Per jaar nemen ongeveer 5000 leerlingen deel aan onze educatieve activiteiten. Dat aantal is langzaam gegroeid. Maar als ze hier één keer geweest zijn, komen leerkrachten meestal graag terug. Sommige klassen kwamen hier al zo vaak dat we nu makkelijk met hen over Howard Hawks, François Truffaut of zelfs Stan Brakhage kunnen praten en ze weten meteen waarover het gaat.

In onze bioscoop creëren we een sfeer die jongeren uitnodigt om te praten over de film die ze gezien hebben. Wat we zeggen en denken over cinema is een gedeelde ervaring, net zoals het bekijken van de film.


Alejandro Bachmann

Wat is jullie specifieke educatieve focus?

Alejandro Bachmann: Onze seminars gaan vaak over het analoge medium en de specificiteit van de bioscoopruimte. In het seminar "Time Machine” bespreken we hoe cinema een invloed heeft op de manier waarop we tijd ervaren. In "The Cinema as a Political Space" zoeken we uit wat het betekent om in een bioscoop te zitten. We linken het esthetische aspect van filmeducatie aan alle andere facetten van film: de techniek, de maatschappelijke rol, de geschiedenis,...


Is de rol van de bioscoop als politieke plaats veranderd onder invloed van het gebruik van nieuwe media?

Alejandro Bachmann: Zeker. In stilte op een plek zitten waar je niet voortdurend met de buitenwereld communiceert, waar je niet zelf beslist waar je naar kijkt en waar je schouder aan schouder zit met een onbekende, is tegenwoordig een heel uitzonderlijk concept. Wie naar de bioscoop gaat, stemt in met een zekere “passiviteit” die sterk contrasteert met de wereld daarbuiten. Die passiviteit heeft iets heel verrijkend. In de jaren 70 zag de apparatus theory passiviteit als het grootste gevaar van cinema, omdat de kijker zich in die toestand makkelijk laat indoctrineren door de burgerlijke ideologie van films. Maar tegenwoordig zijn we nauwelijks nog vertrouwd met passiviteit. In onze wereld moeten we voortdurend actief, zijn, we moeten constant en over alles een mening hebben. In de bioscoop doe je net het tegenovergestelde. Een film kan je raken, je verleiden, je ergens heen voeren. Pas nadien ga je nadenken over de ervaring.

 

Is er op dat vlak internationale samenwerking tussen filmmusea?

Alejandro Bachmann: Een paar weken geleden bevestigde het Creative Europe programma van de EU zijn steun aan een internationaal project onder leiding van het EYE (Amsterdam). In "Cinemini, liefde op het eerste gezicht" werken filmmusea in Wenen, Frankfurt en Amsterdam samen met o.a.  Kinodvor in Ljubljana en De Taartrovers in Nederland. We stellen een filmselectie samen voor de leeftijdsgroep van drie tot zes jaar, maken die digitaal beschikbaar en verzamelen educatieve werkvormen. Alle partners in dit project hebben verschillende achtergronden en ervaringen: sommigen werken in bioscopen of tentoonstellingsruimten, anderen bouwen installaties. We hopen dat dit project een reeks educatieve modellen oplevert die toepasbaar zijn in heel uiteenlopende omstandigheden.